Vijf jaar doodgaan

Almere, dec 1993

Goris, wat deed je me aan!

Mijmerend en terugkijkend op mijn Marnix-tijd, is er wel niemand die zo’n onuitwisbare indruk op mij heeft gemaakt als Goris, de wiskunde-goeroe. Als een schaakvriend van mijn vader en vlak bij mijn ouderlijk wonend, was ik al voorbereid op zijn excentrieke gedrag, voordat ik als elfjarige voor de eerste keer de trap van het kasteel aan het Henegouwerplein betrad.

Bij de eerste les Wiskunde slopen we, als de 20 jongens van 1C, gedwee als lammetjes en met knikkende knieën binnen. Welk een gezicht en geur kwamen ons tegemoet, om nooit te vergeten. De gemengde sigaren-, hout- en waslucht leek zelfs uit de banken en muren te komen. Goris zelf, kalend met een witte krans haar, torende op zijn lestroon boven het leerlingenvolk uit en boezemde vanaf het eerste moment ontzag in. Tijdens deze kennismakingsles kregen jongens met gelijkluidende namen, zoals Kruyt en Kruis, voor de rest van hun schooltijd de kortere benamingen van: ui één en ui twee. Geen van beiden haalde de tweede klas. Een zekere Toebes uit klas vier, vriend van mijn oudere broers, kreeg de bijnaam: Doedel. Aangesproken en behandeld als recruten, durfden we nauwelijks één vin te verroeren. Dankzij de schaakverwantschap met mijn vader bleef ik enigszins buiten schot en hield me gedeisd. Ons werd verteld dat we het wiskundeboek de eerste maanden maar beter konden thuislaten, want wat daarin stond was het werk van prutsers. We waren na afloop blij de eerste les overleefd te hebben.

Daarna begon het seriezere werk en schreven wij ons lam. Goris probeerde met een onuitblusbare ijver een uiterst solide wiskundefundament voor algebra en meetkunde in ons te leggen en schreef zijn evangeliën op het bord: Als een zwaartelijn roet in het eten strooit of een spaak in het wiel steekt, komt men in 99 van de 100 gevallen uit de problemen door de zwaartelijn te verdubbelen. Gezien de cijfers, die gewoonlijk pas maanden na de repetities verschenen, sloegen zijn evangeliën niet erg aan en bleef het merendeel van ons onverbeterlijke wiskunde-heidenen. Goris veroorloofde het zich als enige leraar om vlak voor het rapport uit allerlei binnenzakken van zijn colbertjasje stapels gecorrigeerde proefwerken en repetities tevoorschijn te toveren. Het regende vervolgens, alle krijtlessen ten spijt, nulplussen, één-minnen, halven en meer van dat ezelswerk. Onder 20 stumpers bevond zich echter één uitzondering, een genie die steevast een tien scoorde. De anderen, waaronder ook ik, waren een kruising tussen een ezel en een rund-in-het-kwadraat. Een leerling kreeg de boodschap dat als Goris zijn vader was geweest hij een eind hout zou nemen en niet zachtzinnig op zijn achterwerk zou laten neerkomen. Na het eerste jaar bleef 50% zitten of vertrok naar een andere school. Ik was bij de survivors en ging door.

Tijdens de daaropvolgende jaren gebeurde het regelmatig dat Goris om gezondheidsredenen enkele maanden uit de roulatie was. Zijn vervangers, meestal studenten uit Delft, deden hun best en zorgden voor behoorlijke wiskundecijfers voor de middenmoot van de leerlingen. Na terugkomst van Goris daalden deze cijfers weer tot in de buurt van het nulpunt. Ik heb mij er later altijd over verbaasd dat deze en andere zaken zonder slag of stoot geaccepteerd werden, alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Hoewel goed in rekenen op de lagere school heb ik heel wat wiskunde-onvoldoendes moeten incasseren, voordat het wiskundelicht in mij opging. Het kwam in die tijd niet een milliseconde in mij op dat ik later zelf 13 jaar als wiskundeleraar het VWO zou dienen. Als iemand zelfs die mogelijkheid had geopperd, had ik hem in Goriaanse krachttermen de deur gewezen.

Goris was een fanatiek schaker en had na een conflict met de Rotterdamse Schaakbond zijn eigen schaakclub opgericht. Schaakproblemen oplossen bleek zijn grote hobby. Hij kon soms minuten lang na het binnenkomen van de klas, al trekkend aan zijn sigaar en turend naar het Henegouwerplein via de bovenramen van het lokaal aan de Hennewierstraat, peinzen over een hardnekkig probleem. Hij leek in trance en in een andere wereld. Af en toe verscheen een brede grijns op zijn gezicht, wanneer zijn geest de oplossing had gevonden. Een keer durfde een zittenblijver in klas één een partijtje blindschaken met hem aan. Na dertien zetten capituleerde mijn klasgenoot. Tijdens een later gesprek bij hem thuis vertelde Goris mij dat hij dankzij het schaken nog in leven was. Toen hij namelijk een keer tijdens de oorlog in het concentratiekamp op de grond een partijtje zat te schaken, werd hij weggeroepen door een Duitse officier, die hem weer naar zijn plaats terugverwees, toen deze ontdekte dat Goris hinkte vanwege een slapend been met trombose. Van de jongen die in de plaats van Goris mee moest werd later nooit meer iets vernomen. Goris zag hierin de leiding van God in zijn leven.

Het verbaasde vriend en vijand dat Goris midden in de winter, wanneer anderen hun toevlucht zochten tot dikke jassen en wintermutsen, op zijn Solex slechts in zijn colbertjasje en met een zwarte hoed op tuffend om de spiegelgladde hoek van het Henegouwerplein verscheen. Een sneeuwbal op zijn hoed richten kwam bij niemand op. Deze hardheid tegen zichzelf leerde ik in de hogere klassen kennen toen ik hem enkele keren na zijn eerste hersenbloeding bezocht. De eerste keer lukte het mij noch ondanks zijn hevige protesten een fruitmand binnen de deur te krijgen, maar bij de tweede keer weigerde hij mij pertinent de toegang tot zijn huis na het zien van de mand, die ik maar beter aan mijn moeder kon geven. Na deze belevenis drong iets van de tragiek en eenzaamheid van zijn persoon tot mij door.

In klas twee t/m vijf kwam ik de wiskundelessen met veel vallen en opstaan door. Daarna kwam de doorbraak. Na een hele maand van ’s ochtends tot ’s avonds wiskundesommen gemaakt te hebben, moest ik samen met twee man toelatingsexamen bij Goris doen voor de zesde klas. Met een zes-min werd ik als enige doorgelaten. Ik was toen zestien jaar en ontdekte daarna dat de wiskunde mij een stuk gemakkelijker afging met het resultaat dat ik in één keer door het examen kwam met gemiddeld een zeven voor de drie wiskunde onderdelen. Een happy-end na bijna zes jaren marteling. Deze gebeurtenis heb ik later mijn eigen leerlingen voorgehouden onder het motto: wiskunde is 20% inspiratie en 80% transpiratie. Van de 20 jongens uit 1C bleken drie in één keer de eindstreep behaald te hebben, waaronder Erik van der Ploeg, de zoon van Boeddha op de Alpha-afdeling.

Pas in Delft bleek welk een leermeester Goris voor mij was geweest. Hij had ons op het Marnix grote delen van het eerstejaars wiskunde van Delft bijgebracht. In een ongekend tempo en met hoge wiskundecijfers liep ik daarom spelend door de twee jaar Propadeuse. In Delft ontstond bij mij voor het eerst waardering voor de meester en liefde voor zijn vak. Toen ik in die tijd Goris eens op de Statensingel ontmoette, die zijn afkeer uitte over zijn tijdelijke opvolger, kwam voor het eerst het beroep van wiskundeleraar in mij op als toekomstig werk. Met veel voldoening heb ik na Delft hetzelfde beroep van Goris dertien jaar in binnen- en buitenland uitgeoefend, waaronder twee jaar aan het Melanchthon in Schiebroek. Met mij zullen velen ongetwijfeld met gemengde gevoelens terugdenken aan deze man, die meer liefde voor zijn vak bezat dan voor de kinderen die hij het moest bijbrengen. In zijn gebeden echter voor de klas bleek hij zich kwetsbaar te kunnen opstellen en een tweede menselijker persoon te bezitten, die er niet voor schroomde bij God om genade te bidden voor zijn zwakheden.

Wat bij mij echter blijft overheersen is de waardering hem als docent, ondanks alles, te hebben meegemaakt. Gedurende vele jaren heb ik het betreurd dat ik zijn dictaten van vooral het eerste schooljaar niet meer in bezit had. Wat Goris me heeft aangedaan heeft daarom een positieve uitwerking gehad en staat in geen verhouding tot mijn latere positieve ervaringen als student, vakgenoot en collega. Daarvoor blijf ik het Marnix-team en hem in het bijzonder dankbaar.